De volledige naam van de man is Coenraedt van Noremborgh. Zijn achternaam wordt op veel verschillende manieren geschreven (Norenberch e.d.). Het maakt het nog verwarrender dat zijn vader ook dezelfde voornaam had en ook het beroep van architect/beeldhouwer en aannemer had. Coenraedt (de zoon) is geboren in Namen en werd in 1607 poorter van onze stad. Hij maakte het ontwerp en was ook de aannemer van het nieuwe oksaal van de Sint Jan. Het in renaissancestijl uitgevoerde oksaal (1610-1613) verving het oude in gotische-stijl wat veel schade had opgelopen in de beeldenstorm (1566) en tijdens de brand van de middentoren van de Sint Jan (1584). Het oksaal, gemaakt van prachtig marmer en albast, was voor F 12.000, - aangekocht en kostte uiteindelijk nog eens f 8.000, - extra als gevolg van meerwerk. Dit werd vergoed aan Coenraedt van Noremborgh nadat hij een rechtszaak had aangespannen tegen het kerkbestuur.
Het prachtige oksaal werd in 1877 uit de Sint Jan verwijdert omdat het kerkbestuur het niet passend vond in de (neo)gotische stijl van de kathedraal en ook in de nieuwe zienswijze in de liturgie. Niemand wilde het kopen en uiteindelijk werd het voor een habbekras verkocht aan een van de leden van het kerkbestuur die het uiteindelijk doorverkocht aan een handelaar. Enkele jaren later vond Victor Steurs het terug in Londen in het Albert en Victoria museum. Het wordt daar aangeprijsd als het meesterstuk van de Nederlandse Renaissance.
Steur sprak er grote schande dat Nederland zijn kunstwerken verkwanselde. Hij schreef in 1873 het essay “Holland op smalst”. Dit essay wordt gezien als de opmars, de start van de monumentenzorg in Nederland.
Een oksaal is de benaming voor een balkon in een kerk dat ruimte biedt aan het zangkoor en of een groot kerkorgel. Vaak wordt dan ook gesproken van orgelbalkon of -galerij. Het oksaal wordt soms verward met het doksaal, een houten of stenen wand die het schip scheidt van het priesterkoor.