Toen in 1474 de Bossche klokkengieter Willem Hoernken gestorven was, bleef zijn echtgenote met tien, voor het merendeel minderjarige kinderen achter. Wat moest zij doen?
De klokkengieterij
Zelf de klokkengieterij voortzetten, dat was ondenkbaar. Er zat niet veel anders op dan een zaakwaarnemer te zoeken. En dat werd de omstreeks 1450 geboren Gerardus of Geert van Wou. Nog in datzelfde jaar goot hij zijn eerste klok en wel voor Kranenburg, (plaats in Duitsland) 15 km ten oosten van Nijmegen.
In 1475 kwam de overeenkomst tot stand. Geert van Wou zou voor rekening van de weduwe, de klokken gaan gieten, zij het onder zijn eigen naam. Waarschijnlijk heeft de toen 25-jarige Geert het vak geleerd van Willem Hoernken. De productie in die begintijd was zeker niet groot, zij het dat er een heel opmerkelijke levering onder was.
In 1477 goten namelijk de jonge Geert van Wou en de veel oudere Gobelinus Moer, eveneens een Bossche gieter, drie klokken voor de Eusebiustoren te Arnhem. Waarom beiden, anders toch concurrenten, een tijdelijk compagnonschap sloten is niet duidelijk. Om dat het om relatief zware klokken ging waarin Geert wellicht nog onvoldoende ervaring had? Twee jaar later goot hij een voorslag voor de Domtoren van Utrecht. Om onduidelijk reden vertrok hij in 1479 naar Kampen waar hij tot zijn dood bleef wonen.
Van Wou's reputatie: zware geluien
Van Wou dankt zijn reputatie vooral aan zijn zware geluien, die hij veelal goot voor steden in Duitsland. In 1497 goot hij de Gloriosa zijn grootste klok liefst 11.400 kilo. Tot 1923 was dit de grootste luidklok van Europa.
Maar ook voor Nederlandse steden en kerken goot hij klokken zo ook voor de Utrechtse domtoren. Deze heeft een gelui van maar liefst dertien klokken. De grootste, de Salvator, heeft een onderdiameter van 2,27 m bij een gewicht van niet minder dan 8.095 kg. In 1664 werden de kleinste zeven omgesmolten. Maar in 1982 keerden ze als replica’s uit de gieterij van Eijsbouts terug. Thans heeft de Domtoren weer zijn zware dertientonige gelui terug, een zéér grote bijzonderheid in Europa.
Na 1507 werd hij minder actief en goot hij zijn klokken vaak in samenwerking met Johannes Schonenborch. Dat geldt voor onder meer het gelui voor Lübeck uit 1507. De klokken uit de periode 1523 tot 1527, gesigneerd Geert van Wou, zijn waarschijnlijk niet van zijn hand maar van zijn gelijknamige zoon of neef. In totaal zijn er heden ten dage ongeveer 140 klokken van Geert Van Wou bewaard gebleven. Naast klokken goot Van Wou ook geschut.
Naast de straat in de Muntel is er ook in Amsterdam-Zuid, Kampen, Asten, Denekamp een straat naar hem vernoemd. De trappen tussen het Stevenskerkhof en de Stikke Hezelstraat in Nijmegen kregen in 2017 de naam Geert van Woutrappen. Van Wou komt ook voor in het boek: Hasse Simonsdochter van schrijfster Thea Beckman en wordt ook genoemd in de Canon van Nederlands.
Frank