Hertog Arnoud van Gelre (1410-1473) komt als 13-jarige heel jong aan de macht. Tot zijn huwelijk bestuurde hij het hertogdom onder regentschap van zijn vader en een Raad van Zestien, bestaande uit vertegenwoordigers van de vier Gelderse kwartieren. Arnoud was een fervente voorstander van het Bourgondische vorstenhuis, waartoe ook 's-Hertogenbosch hoorde. Erg gemakkelijk had hij het niet, want vanwege de kleine ijstijd verminderen de oogsten en de IJssel was slechter bevaarbaar geworden.
Hij moet dan ook moeilijke besluiten nemen en raakt daardoor vervreemd van de ridders en de steden in zijn hertogdom. Zij zijn het niet eens met zijn politiek en willen niets weten van zijn herhaalde eisen om geld. Alleen de Gravenaren blijven hem onvoorwaardelijk trouw en daarom woont hij meestal op het grote kasteel in die stad. Zijn zoon Adolf was pro-Geldre en anti-Bourgondisch. Adolf verzint een list om de macht over te nemen van zijn vader. Hij reist in 1465 naar Grave en ontvoert zijn vader en brengt hem naar Buren. In Buren wordt Arnoud in een gevangenis gezet. Adolf is dan de hertog van Gelre en heer van Grave en het Land van Cuijk.
De Bourgondische vorst Karel de Stoute accepteert dit niet en trekt ten strijde tegen Adolf. Karel de Stoute zet vervolgens Adolf gevangen. Arnoud wordt in zijn macht hersteld, maar Karel heeft het nu feitelijk voor het zeggen. Arnoud verkoopt dan ook zijn gebied voor een groot bedrag aan Karel. Grave en het Land van Cuijk worden daarmee vanaf dat moment volledig Brabants.
Arnoud was naast Grave ook in ’'s-Hertogenbosch zeer geliefd. Arnoud kwam vaak en graag in de stad en bezocht met regelmaat de Sint Jan en het Geertruiklooster. Bij zijn vrijlating werd hij dan ook zeer gastvrij in de stad onthaald. Hij was ook lid van de Illustre Lieve Vrouwe Broederschap (de zwanenbroeders).
Hij sterfft in 1473 en wordt in de Sint-Elisabethkerk in Grave begraven. Zijn hart werd vooraf in een 'silveren casseken' geplaatst en vervolgens in het Geertruiklooster in ’s-Hertogenbosch bewaard.